De Witte Muur (Trees Van Aerdebrugge)

Ik lees nu een stukje voor uit het dagboek van de meester:

Gisteren te veel gedronken.
Ik kijk naar de witte muur aan de overkant van de straat, even onbeschreven als deze bladzijde in mijn dagboek.
Leeg blad, banale muur.
Ik zou schilderen wat achter de witte muur te zien was, maar… te veel gedronken. Mijn hand beeft, mijn hoofd is wazig.

Ik beeld mij in…
Een hummel die tussen de stekels gras van een armetierige tuin speelt met het geraamte van een kinderkoets. Een man komt uit het achterhuis en loopt op het kind toe, neemt het in zijn armen. Zijn baard prikt. Toch drukt het ukje zijn wang tegen de stoppels.
Is dit niet dezelfde man die gisteren, de handen tot machteloze vuisten gebald, keet schopte voor de poort van de textielfabriek?
Naast hem, andere arbeiders die ook al in dagen geen loon hadden gezien.
De straat kleurde rood met opstandige vlaggen.
Ik stond met een paar schilders en schrijvers op de stoep en deelde in de klappen.
Daarna verbroederden we en zwoeren beeld en klank te geven aan hun uitbuiting.

Maar ‘k heb te veel gedronken en ’t witte canvas lacht me uit.